Nieuws

'Belangrijker dan meten, is impact benoemen' - #2 Tine De Moor

De toekomst is aan de samenwerking, meent journalist Thomas Vanheste (zie vorige artikel). Maar hoe moet die samenwerking eruit zien? En in hoeverre zijn mensen tot zo veel samenwerking in staat? ‘Mensen werken al langer samen dan dat ze elkaar beconcurreren’, meent historica Tine De Moor. In de duizend jaar die zij als historica bestudeert, merkte ze dat de voorbije tweehonderd jaar een uitzondering vormden op die regel. Ondertussen lijkt samenwerking als economisch principe terug van weggeweest. ‘Het is ook het moment om iets te realiseren, om de vruchten van al die aandacht voor samenwerking en coöperaties te plukken.’

Dat de aandacht groot is en vanuit alle hoeken komt – zelfs de minst vanzelfsprekende en verwachte -, bewijst De Moor heel concreet door op het verweerde blad van de tuintafel in haar huis in Gent haar agenda open te plooien. Alleen al de voorbije week vulden haar dagen zich met gesprekken met bedrijven, overheden en allerhande organisaties. Allemaal zijn ze gefascineerd door de ‘commons’ waar zij onderzoek naar doet, of tonen ze – de bedrijven vooral – zich geïnteresseerd om het internationale congres te sponsoren dat ze in juli 2017 met haar onderzoeksgroep Institute for Collective Action in Utrecht over commons en coöperaties organiseert.

Amper een paar jaar geleden was al die aandacht een pak minder, dat kan De Moor statistisch perfect aantonen, dan moest ze bedrijven smeken om een paar fondsen. Nu niet meer. ‘Het is booming business’, zegt ze. ‘Gisteren nog sprak ik in Amsterdam voor een volle zaal. Mocht er de voorbije jaren niet zo veel burgers geweest zijn die besloten allerlei zaken in handen te nemen, die energiecoöperaties oprichtten en andere, kleine ondernemingen met sociaal oogpunt, dan had de helft van dat publiek er niet gezeten. Mocht ik het congres vijf jaar geleden georganiseerd hebben, dan zou ik nergens geld gekregen hebben. Je moet al lang niet meer in het linkse hoekje zitten om dit soort initiatieven te waarderen en als oplossing te zien. Mijn collega’s van de IASC, de International Association for the Study of Commons merken het allemaal: er is een momentum. Dat is spannend, maar dat legt ook een verantwoordelijkheid op.’

Laten we het eerst even over het momentum hebben. Traditioneel en wereldwijd wordt naar de crisis van 2008 gewezen als oorzaak van zo veel opborrelende, collectieve actie. Als het slecht gaat, als de grond letterlijk onder de voeten van mensen wordt weggeslagen, dan klampen ze zich aan elkaar vast om samen uit de put te spartelen. Toch stelt De Moor vast dat de crisis niet zozeer het begin dan wel een versnelling betekende van een evolutie die al bezig was. De opkomst van collectieven, van andere manieren om naar de economie te kijken, de zoektocht naar een weg zigzag tussen markt en staat, de kiemen ervan liggen volgens het historisch onderzoek van De Moor in 2005. De tendens is zo opvallend dat ze durft te spreken van een derde golf van samenwerking.

"De huidige opkomst van collectieven is een derde golf van samenwerking."

‘De zogenaamd eerste golf situeer ik in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Een groot deel van de bevolking voorzag in de behoeften via zelfregulerende collectieven. In de stad had je de gilden, buiten de stad regelden de boeren het beheer van de gemene – gemeenschappelijke – gronden. Ze werkten samen om zich te verzekeren tegen risico’s van buitenaf. Eind negentiende eeuw, tijdens de tweede golf, vertaalde zich dat in mutualiteiten en coöperaties. Arbeiders verenigden zich om sociale fondsen op te richten, om samen voedsel aan te kopen en boeren richtten bijvoorbeeld de boerenbanken op. Wat we nu merken, tijdens de zogenaamde derde golf, is dat ons idee dat de vrije markt perfect in staat is om zichzelf te regelen, op duidelijke grenzen botst. Het systeem sputtert. De hele privatiseringsgolf die we sinds de jaren 1980 gekend hebben, heeft de verwachtingen niet ingelost. Als de markt niet langer de oplossing biedt, nemen mensen het zelf in handen.’

‘In Nederland, dat ik het beste ken vanuit mijn onderzoeken, merk je dat zeer concreet in het Noorden van het land. Het is een dunbevolkt gebied, de zogenaamde krimpregio. Jongeren blijven er niet wonen omdat ze geen toekomst zien in de dorpen. Geen enkel bedrijf ziet er een businessmodel in om in de kleine dorpen glasvezel te leggen. Het is te duur. Maatschappelijk levert het winst op, economisch verlies. Kortom, de markt is niet in staat om aan de behoeften van mensen te voldoen en ook de overheid vindt niet dat het haar taak is om kabels te trekken. ‘Prima’, zeggen de bewoners. ‘We doen het wel zelf.’ Er zijn effectief gemeentes waar de inwoners de spade in de grond hebben gestoken, waar ze hun eigen netwerk hebben gegraven en een glasvezelcoöperatie hebben opgericht (dit is zo’n voorbeeld van een glasvezelcoöperatie, en in Ulrum, ook in het Noorden). Voor een stuk uit armoede, ja, en uit gebrek aan keuzes. Het is iets wat ik niet genoeg kan benadrukken: het is belangrijk dat we evolueren naar een samenleving waarbij de keuze voor een bepaald model niet gemaakt wordt uit gebrek aan alternatieven, maar uit een rijkdom aan mogelijkheden. Daarom is het essentieel dat we al deze burgerinitiatieven erkennen en benoemen, dat we de economische diversiteit laten spelen.’

"We moeten evolueren naar een samenleving waarbij de keuze voor een bepaald model wordt gemaakt uit een rijkdom aan mogelijkheden."

Blijft de impact van al die sociale innovatie daarvoor niet te beperkt? Het is bijvoorbeeld niet duidelijk hoe duurzaam al die burgerinitiatieven zijn, wat hun effect op lange termijn is.

De Moor zucht. Ze kent de vragen, de kritiek, de bedenkingen. Ze schuift haar kop koffie, haar papieren, haar agenda aan de kant, alsof ze zich schrap zet om een redenering op te bouwen die ze al vaker heeft gemaakt. ‘Meestal kaats ik de bal terug’, zegt ze. ‘Als we er zo op hameren de impact van sociaal innovatieve praktijken te meten, waarom verzaken we er dan aan om de impact van ontwikkelingen in het reguliere bedrijfsleven te meten? Meestal kijken we naar de positieve externaliteiten van ondernemingen, maar je moet niet eens zo diep nadenken om de negatieve op te sommen. Als ik het me goed herinner, heeft de Verenigde Naties niet zo lang geleden een rapport gepubliceerd waarin duidelijk stond dat mochten we de reële prijs van producten betalen, alle multinationals failliet zouden gaan. Toch blijven we de zogenaamde impact van deze bedrijven als noodzakelijk en evident beschouwen. De vraag is altijd: wat wil je meten? Over welke impact hebben we het? Sociale? Maatschappelijke? Economische? Wat in mijn ogen belangrijker is dan meten, is benoemen. Als je sociale innovatie niet benoemt, is ze niet zichtbaar. Dan kan niemand roepen: ‘Er moet iets mee gebeuren’ en kan je het ook niet evalueren. Voor mij is minder de directe impact, dan wel de veerkracht, de weerbarstigheid van instellingen van tel. Om te weten of iets maatschappelijk van betekenis is, moet je over tweehonderd jaar denken. Dat is de tijd nodig om de invloed van de eerste initiatiefnemers en de pioniers weg te vlakken. Een organisatie is pas solide als ze zonder die mensen kan.’

"Wat in mijn ogen belangrijker is dan meten, is impact benoemen."

Laat me het zo stellen. Wat leert de geschiedenis van de commons ons over de huidige golf van coöperaties en maatschappelijk verantwoorde ondernemingen? Waar liggen de uitdagingen?

‘Anders geformuleerd’, pikt De Moor hierop in. ‘Hoe maak je als samenleving nu eens niet de fout om te zeggen: ‘Fijn, we hebben de collectieven gehad en nu gaan we lekker verder hoe we bezig waren?’, maar kijk je net naar het potentieel van deze burgerinitiatieven en durf je ze ook ernstig nemen als de institutionele armoede minder nijpend is.’ Ze knikt en gaat verder. ‘Om een transitie te bestendigen, zijn een aantal zaken fundamenteel. Eén’ – ze omklemt haar duim – ‘samenwerking en kennisuitwisseling tussen initiatieven. Als je kijkt naar de coöperaties die de tweede golf overleefd hebben, dan zijn het degene die zich onderling verbonden hebben en zich niet vastgeklonken hebben aan een doel. Neem bijvoorbeeld De Vooruit – ook al bestaat die niet meer onder zijn vroegere vorm – dat was een multipurpose-organisatie – er was een bakkerij, een apotheek, een krant, een vakbond, noem maar op. Hoe meer diensten een coöperatie of een samenwerkingsverband tussen coöperaties levert, hoe groter de betrokkenheid van de leden en die betrokkenheid is een van de bepalende factoren voor het voortbestaan. Als ik even naar mezelf kijk. Ik ben lid van een kaascoöperatie – Het Hinkelspel, een energiecoöperatie – Ecopower en Rescoop), een landcoöperatie – Landgenoten, en twee coöperatieve banken – New B en Rabobank.

Als ik mijn historische lessen zou doortrekken tot in mijn dagelijkse leven, dan zou ik naar elk van die vergaderingen moeten gaan. Ik ga nooit. Coöperaties hebben die betrokkenheid nodig, omdat leden dan ervaren dat hun engagement van tel is, dat het waarde en nut heeft. Maar samenwerking tussen coöperaties is ook belangrijk om – en dan kom ik bij twee – de eigen zichtbaarheid te vergroten, om te lobbyen en je bestaansrecht op te eisen. Veel coöperaties van de tweede golf zijn weggedeemsterd omdat ze te ongekend werden, omdat ze niet meer aanwezig waren in het maatschappelijke veld.’

‘Wat ook belangrijk is om duurzaam en toekomstgericht te werken – en dat is drie – is nadenken over intergenerationele coöperaties. Op vraag van de Raad van Europa heb ik dat onderzocht in Co-operating for the Future. Hoe zorg je ervoor dat coöperaties de initiatiefnemers overleven? Neem bijvoorbeeld kinderopvang. Mij lijkt het een prima idee om dat vanuit burgers of bewoners van een bepaalde stadswijk coöperatief te organiseren. De vraag is alleen: wat is de aanmoediging om op lange termijn te investeren? En hoe zorg je ervoor dat de coöperatie de eigen gebruikers overstijgt? Welk belang heeft een zestigplusser erbij om in kinderopvang te investeren? Een oplossing is om kinderopvang te combineren met ouderenzorg. Want je kan wel denken of geloven dat deze nieuwe golf van coöperaties er komt omdat we lekker happy together willen zijn en omdat we de communityfeeling willen vergroten, maar de menselijke samenwerking draait ook rond wederkerigheid: ik geef omdat ik verwacht er iets voor terug te krijgen. Als je doelstellingen combineert, dan versterk je de interne bereidheid tot wederkerig handelen.’

"Om de transitie te bestendingen, is samenwerking en kennisuitwisseling nodig, net als een model van wederkerigheid"

U legt heel veel verantwoordelijkheid voor het slagen van een transitie bij de initiatieven zelf.

‘Wacht, wacht’, onderbreekt De Moor de vraag. ‘Ik heb voor de overheid ook een heel lijstje van noodzakelijke acties klaar.’

De Moor: ‘Laat ons nog even terugkeren in de tijd. Waarom zijn de gemene gronden verdwenen? Niet omdat eigenbelang het altijd wint van altruïsme en samenwerking – zoals Garrett Hardin ons collectief heeft ingeprent met zijn Tragedy of the Commons, wel omdat de wetgeving werd aangepast. Vanaf de achttiende eeuw groeit het idee – onder invloed van de ontwikkeling van de vrije markt, de opkomst van de natiestaat, het verlichtingsdenken en de liberalisering – dat het altijd efficiënter is om de productie en het beheer van goederen en diensten individueel te organiseren, kortom, om te privatiseren. In België wordt met de wet op de ontginningen van 1847 de gemene grond buiten de wet geplaatst. Van bovenaf worden commons simpelweg verboden. Het einde van de commons is een overheidsbeslissing en geen falen van de commons zelf. Met andere woorden: ook het omgekeerde is mogelijk. Een overheid kan haar juridisch en fiscaal instrumentarium gebruiken om de commons een plaats te geven naast staat en markt om samenleving en economie in te richten. De oprichting van coöperaties voor basisbehoeften – energie, voedsel, mobiliteit – kan perfect fiscaal gestimuleerd worden. Het zou alvast een eerste en belangrijke stap zijn om de wetgeving op coöperaties te herzien en ervoor te zorgen dat de Starbucksen en McDonaldsen van deze wereld het coöperatieve statuut niet misbruiken om fiscale redenen. Dus ja, de overheid heeft een sturende rol in deze transitie. Niet om wat werkt in de ene gemeente over te nemen en als blauwdruk uit te rollen over de rest van het land, wel om de diversiteit binnen de economie te erkennen en kansen te geven. Commons zijn geen gemakkelijkheidsoplossingen waarbij overheden de eigen taken uitbesteden aan de burger. Niet voor niets zijn neoliberale partijen hevige voorstanders van de participatiesamenleving, de maatschappij waar de burger zijn eigen boontjes dopt. Nee, de overheid heeft een regulerende taak. Kijken naar wie wat nodig heeft, naar wat de problemen zijn en onderzoeken welk bestuursmodel waar het best op z’n plaats is. Ik zou niet willen dat het openbaar vervoer coöperatief wordt uitgebaat, of de post. Laat dat maar aan de overheid, die is daarvoor het best geplaatst.’

"Commons zijn geen gemakkelijkheidsoplossingen waarbij overheden de eigen taken uitbesteden aan de burger."

De vraag die historici meestal niet graag horen is: wat met de toekomst? Toch wil ik het graag van u horen. Hoe ziet u deze derde golf van samenwerking evolueren?

De Moor: ‘Eerlijk gezegd ben ik behoorlijk hoopvol. Natuurlijk mag je de wil van mensen om van alles te doen en om betrokken te zijn niet overschatten. Je hebt zeer veel mensen die niet geïnteresseerd zijn om mee te beslissen in een werknemerscoöperatie, die willen ’s avonds thuis op hun gemak zijn. Anderzijds mag je niet vergeten dat mensen best verantwoordelijkheid willen nemen en aankunnen. De overtuiging dat er iets moet gebeuren, wordt behoorlijk breed gedeeld. Ook omdat coöperaties de mogelijkheid in zich dragen om zeer sociaal te werk te gaan. Ja, je moet een aandeel kopen, maar vaak kan je die aankoop in de tijd spreiden. Wat voor mij nog niet duidelijk is, is de vraag: wat als de economie toch weer aantrekt? Zal er dan iets veranderd zijn? Blijven de initiatieven overeind? Wat ook als we binnenkort een overheid hebben die nog nauwelijks tussenkomt? Het grote probleem is: privatisering is een heel eenvoudig proces. De-privatisering is quasi onmogelijk. ‘Laat de markt zijn werk doen’, om eerlijk te zijn: ik vind dat men daar wat al te licht overheen gaat. Er is veel, heel veel wat je beter en socialer in collectief beheer kan regelen. Het zou mooi zijn mochten we eindelijk iets van de geschiedenis leren. Dat zou vooruitgang betekenen. Al mogen we vooral niet vergeten dat het perfecte model niet bestaat. De markt kan falen, de staat en burgerinitiatieven ook.’


Op 29 november organiseert de Sociale InnovatieFabriek haar jaarlijkse netwerkcongres. New Ideals 2016 gaat over maatschappelijke impact. Hoe creeëren sociale innovatie en sociaal ondernemerschap impact waar iedereen bij wint? Voor wie is de impact? Hoe meet je die veranderingen? Wat doe je er mee? Welke tool kan je gebruiken? Hoe kan sociale innovatie haar impact vergroten en zo het nieuwe normaal worden?