Nieuws

'Dé overheid bestaat niet' - #3 Filip De Rynck

‘Dè overheid bestaat niet’

De overheid. Het is een containerbegrip dat zowel bij Thomas Vanheste als Tine De Moor opduikt als cruciale factor in de opschaling of verbreding van om het even welke transitie. Maar welke rol moet en kan die overheid spelen? En vooral: over welke overheid hebben we het dan? Onderzoek naar de organisatie en werking van op commons gebaseerde burgerinitiatieven in Gent, leert professor Bestuurskunde Filip De Rynck vooral dat de overheid meer kamers, hoeken en kanten telt dan we denken.

De verhouding tussen burger en overheid. Het is een thema waar De Rynck al sinds de jaren zeventig op focust. Hij ziet dan ook belangrijke gelijkenissen met wat er toen gebeurde en wat er nu aan de hand is, maar wat hem het meeste opvalt, is het grote verschil. In de jaren zeventig pleitte men met de oprichting van allerhande adviesraden voor politieke inspraak van burgers.  ‘De economie kwam toen nauwelijks in onze discussies over inspraak voor en alle inspraakinitiatieven richtten zich tot de overheid. Nu gaat het ook en misschien zelfs op de eerste plaats over  economische medezeggenschap.’

Van politieke emancipatie evolueren we naar economische emancipatie. De onafhankelijke burger eist zijn economische vrijplaats op maar bevraagt ook sterk de overheid  over de wijze waarop die de economie al dan niet nog kadert of aanstuurt. Politieke en economische democratie geraken sterk verstrengeld en het is in die zone dat stadslandbouw zich ontwikkelt, particulier autodelen groeit of een repair café ontstaat.  Sociale innovatie, dus, maar De Rynck zou geen wetenschapper zijn als hij niet van exactheid en precisie houdt. Ook over de term sociale innovatie.

‘In de wetenschappelijke literatuur (lees bv. hier wat Frank Moelaert gepubliceerde over sociale innovatie) omschrijven we sociale innovatie als initiatieven die uitdrukkelijk de verbetering nastreven van de leefomstandigheden van mensen die worden uitgesloten in de samenleving. Het gaat over sociaaleconomische projecten die ervoor zorgen dat mensen die tussen de mazen van het net glippen meer kansen krijgen, een betere positie verwerven en leren hun stem te verheffen. Sociale innovatie is in die zin inherent kritisch tegenover de bestaande machtsverhoudingen en beweegt zich op de brug tussen markt, overheid en gemeenschap. Als je het wil hebben over de impact van dit soort sociale innovatie, dan heeft het weinig zin om alleen maar de omvang en de reikwijdte van deze projecten te meten, maar dan kijk je op de eerste plaats naar hun tekenwaarde.  Wat zeggen deze projecten over de manier waarop onze samenleving functioneert en hoe proberen  ze nieuwe patronen te ontwikkelen die meer aandacht hebben voor mensen die uit de klassieke, kapitalistische en neoliberale boot vallen en die ook weg niet meer vinden in de klassieke democratie?’

Zegt u nu: voor we de eventuele impact van sociale innovatie willen bepalen, is het belangrijker te definiëren wat sociaal innovatief is en wat niet?

‘Om het even cru te stellen: sociale innovatie is voor mij meer dan een bedrijf dat sociale doelstellingen nastreeft. Als je de definitie zo breed optrekt, dan is een multinational als Coca-Cola die pakweg investeert in een voedselbank sociaal innovatief. Maar er is een duidelijk verschuil tussen dit soort verantwoord ondernemerschap, soms op een smalle lijn van goedkope marketing en liefdadigheid, en praktijken die van onderuit groeien en die de potentie hebben de machtsverhoudingen in een samenleving te veranderen of door elkaar te schudden. Dat zijn de twee uitersten en daartussen zitten allerhande hybride vormen. Ik denk bijvoorbeeld aan energiecoöperaties. Hun uitgangspunt is de democratisering van de energieproductie- en verdeling. Wie twintig jaar geleden zei dat er een tijd zou komen waarin burgers zelf energie zouden produceren, werd weggelachen. Energie was een sector voor de grote jongens, voor grote bedrijven met hun grote centrales. Met een energiecoöperatie krijgen burgers greep op economische patronen. Voor mij is dit sociale innovatie. Dit soort decentrale initiatieven zetten een ander economisch patroon uit en bieden daardoor kansen aan mensen die het moeilijk hebben in deze samenleving, ook al zijn zij niet de dragers van dit soort initiatieven en zelfs niet de eerste doelgroep. Ze maken burgers minder afhankelijk en meer baas over hun eigen leefwereld.’

Betekent dit dat de impact van sociale innovatie af te meten valt aan de mate waarin hij aan de takken van bestaande structuren schudt?

De Rynck glimlacht. ‘Ik denk dat je vooral innovatief met de term impact moet omspringen. Het is sowieso lastig de impact van maatschappelijke veranderingen op een goede manier te meten. Waar kijk je naar en wie kijkt vanuit welk perspectief? Je kan perfect tellen hoeveel energiecoöperaties er de voorbije jaren in Vlaanderen zijn bijgekomen. Maar misschien is het net innovatief om van die obsessie af te stappen om het eigen werk meetbaar te maken?  Dat soort meten trapt in de val van het neoliberale denken waarbij alleen het meetbare waarde heeft.

Impact is veel ruimer dan cijfers en tabellen. Het gaat over de fundamentele vragen die projecten oproepen over de manier waarop we onze samenleving organiseren. Commons plaatsen in die zin de vraag naar de ordening van onze samenleving weer centraal. Ze vormen kleine polissen die het debat activeren over de grote Polis. In welke richting willen we onze solidariteit zien evolueren? En misschien heeft wat nu weinig deining lijkt te veroorzaken pas een effect over dertig jaar? In ons onderzoek hebben wij een dertigtal ‘commonsachtige’ projecten in Gent bezocht, van energiecoöperaties over lokale munten tot elektrische deelauto’s. Voor mij gaat impact over wat die projecten betekenen voor de mensen die eraan deelnemen, hoe hen dat versterkt, in welke mate ze bijdragen tot een sociaal en ecologisch duurzame maatschappij, maar het gaat evengoed over de vraag wat deze initiatieven ons leren over het goed en slecht functioneren van de overheid, inclusief de bestaande regelgeving.’

Kan u daar een voorbeeld van geven?

‘Neem nu Partago, een coöperatieve rond elektrische deelmobiliteit. In tegenstelling tot particuliere deelinitiatieven kan Partago geen beroep doen op ondersteuning van de stad Gent. Niet omdat de stad niet zou willen, maar omdat er een oude regel bestaat waarbij enkel vzw’s recht hebben op financiële en andere tussenkomsten en coöperaties niet. Het is een klein voorbeeld en op zich snel opgelost: het volstaat dat de stad Gent coöperaties in de regelgeving opneemt. Maar het toont aan dat regels stug zijn in de tijd.

Dat brengt ons bij de rol van de overheid. In hoeverre slaagt deze erin sociale innovatie te ondersteunen of tegen te werken en wat is de beste verhouding van een overheid tegenover deze initiatieven?

‘Het is dé centrale vraag in tal van boeken over sociale innovatie. Na twintig jaar vermarkten, privatiseren en het uitvoeren van de neoliberale agenda is er op dit moment een ding duidelijk terug: het belang van publieke goederen, het belang van sterk onderwijs, een goede gezondheidszorg, kwaliteitsvolle kinderopvang en zorg voor ouderen, een efficiënte justitie. Publieke goederen, en daar is alle onderzoek zeer duidelijk over, zijn het beste sociale beleid. Maar die goederen kunnen ook door commons beheerd worden die op hun beurt ondersteund worden door de overheid. Het is echter een lastige en nog grotendeels onopgeloste vraag: welke publieke goederen zien we liever door de overheid beheerd, welke publieke goederen zien we eerder door commons te beheren?  Moet de overheid de zorg organiseren of rekenen we sterk op commons: burgers die zichzelf organiseren voor de eigen zorg?  Dat raakt lastige discussies: de overheid kan mensen uitsluiten, maar commons kunnen dat ook en het is niet de bedoeling dat we nog meer uitsluiting veroorzaken door de overheid zich te laten terugtrekken en commons van vooral bemiddelde burgers te ondersteunen.’

Commons zijn niet per definitie goed.

‘Wat te denken over gated communities? Ook daar verenigen mensen zich rond een bepaald doel en ontwikkelen ze eigen spelregels.  Ze voldoen dus aan de definitie van een common maar toch bekijken we ze met andere ogen. Elke common is een oefening in democratie en solidariteit op micro – niveau maar hoe ver willen we daarin gaan?  Hoe verhouden de micro vormen van de commons zich tot de macro en meer anonieme vormen van solidariteit, bijvoorbeeld in onze sociale zekerheid of de solidariteit die via belastingen tot stand komt, waar we mee betalen voor mensen die we helemaal niet kennen en die welliicht zelf niet willen leren kennen?’   

Ik val in herhaling: de rol van de overheid is daarin toch cruciaal?

‘Absoluut, zo lang we goed begrijpen dat dé overheid niet bestaat. Over welke overheid hebben we het? De lokale, de regionale, de federale? Percepties over de overheid zijn vaak nogal generaliserend en principieel en zelden aan de praktijk getoetst. Ons onderzoek maakt alvast duidelijk dat het klassieke beeld van ‘de overheid’ alvast niet geschikt is. Zo kan het gebeuren dat de regulerende en faciliterende overheid elkaar in de weg zitten. Neem nu stadslandbouw of een project als Rabot op je Bord. Korter kan je voedselketen nauwelijks worden, maar zij botsen op BTW-regels, wetten rond voedselveiligheid, enzovoort. De lokale overheid zet  mee haar schouders onder een project dat gedwarsboomd wordt door federale regels.  De overheid – en dat is echt belangrijk – vertoont een gelaagd beeld, het is geen monoliet en niets menselijks is haar vreemd. Als burgers ruimte krijgen om delen van de publieke groene ruimte zelf in te richten, dan kan dit voor wrevel zorgen bij de mensen van de groendienst die zich in hun beroepseer gekrenkt voelen. Samenvattend kan je stellen dat de overheid op verschillende niveaus verschillende rollen heeft die soms door elkaar lopen. Lokaal zal de overheid makkelijker faciliteren, op andere niveaus ontmoet je eerder onverschilligheid dan manifeste tegenwerking. Misschien ook omdat de klassieke impact van deze initiatieven eerder marginaal te noemen is. Ze vormen nog geen bedreiging en ze ogen meestal sympathiek. Steden gebruiken ze graag als uithangbord voor de eigen marketing. Ook dat zegt iets over mogelijke spanningen in de relatie tussen burgerinitiatief en overheid.’

Is het niet aan de verschillende overheden om er onder andere voor te zorgen dat deze initiatieven de zogenaamde marge overstijgen en dat ze het nieuwe normaal worden?

‘Als je me toestaat, wil ik even een grote omweg nemen om op deze vraag te antwoorden. Ken je het boek van John Keane? The Life and death of democracy? Keane tekent mooi uit hoe de representatieve democratie zoals we hem nu kennen tot stand gekomen is door allerlei bewegingen van onderuit, net zoals je dat nu ziet gebeuren. Maar hij zegt ook: het is een model waar we stilaan afscheid van nemen. We evolueren naar een nieuw democratisch model, veel meer gebaseerd op zelforganisatie en decentralisatie. Met andere woorden: als je het in historisch perspectief bekijkt, denk ik dat al die bewegingen en initiatieven samen tot een ander maatschappijmodel leiden. Maar wat voorspellingen op dit moment zo moeilijk maken - en ook wel een beetje herleiden tot een futiele oefening - is dat we nooit eerder in de geschiedenis zo sterk de druk van de tijd ervaren. Je kan wel zeggen: als we lang genoeg in de goede richting duwen, kantelen politiek en economie wel naar de kant die we verkiezen. Maar ons huidig economisch model botst tegen zo veel ecologische grenzen aan, dat ik me soms afvraag of we nog voldoende tijd zullen hebben. Zelfs al kunnen we het tij van dit economische model keren en verlichten we drastisch onze ecologische voetafdruk, dan blijft het huidige systeem – met zijn ruimteverslindende beleid, zijn uitstoot van broeikasgassen, zijn groeiende ongelijkheid – nog enkele decennia doorwerken. En dat zouden wel eens de enkele decennia te veel kunnen zijn. Het vergt een paar generaties om de fundamentele krachten te keren die nu dominant zijn. Het klinkt misschien banaal, maar daar draait het om: is er nog tijd genoeg? De verandering die nodig is, is zo fundamenteel dat je je geen vertraging kan permitteren.

En dus is het aan de overheid om een duidelijk beleid uit te stippelen. Zodat de kracht van het lokale wereldwijd voelbaar is?

‘Die lokale tegenbeweging is wereldwijd. Lees Paul Verhaeghe, Luc Huyse, David Van Reybrouck, Benjamin Barber, allemaal besteden ze aandacht aan de kracht van het lokale en houden ze een pleidooi voor decentralisering en meer horizontale verhoudingen. Als je geen vast, groot antwoord meer hebt, is ontkoppelen en decentraliseren een geschikte manier om een oplossing te vinden. Complexe problemen vergen ruimte voor experiment. Dat is een puur organisatieprincipe: laat innovatieve praktijken groeien, dan krijg je onverwachte, slimme en vitale coalities. Ik heb het al vaker gezegd en herhaald: bij ons heeft de hele staatshervorming dat proces van decentralisering doorkruist en vertraagd. Als ik kijk welke hefbomen een stad als Kopenhagen heeft om de mobiliteit te regelen en om eigen, autonome beslissingen te nemen, dan kan ik enkel vaststellen dat de kracht van lokaal initiatief de laatste van de zorgen was van onze staatshervormers.

In Vlaanderen hebben we uit angst om bevoegdheden af te staan de neiging om alles te centraliseren en gebruiken we veel te weinig de leercapaciteit die voortvloeit uit lokale initiatieven. Nee, als er een probleem is, richt men meestal een nieuwe instelling op die men vervolgens net te weinig middelen geeft om goed te kunnen werken. Dan kunnen we beter met dat geld meer lokale commons ondersteunen.  Al moet gezegd dat we in Vlaanderen de kracht van het lokale wel hebben leren benutten in verschillende stadsprojecten via de hele actie rond stadsvernieuwing. Dat is een mooi voorbeeld van hoe wetenschappers uit verschillende disciplines – stedenbouw, sociale wetenschappen, pedagogie, bestuurskunde – met elkaar in discussie gaan, samen met lokale bestuurders en de Vlaamse overheid. Vlaanderen heeft daarvoor het kader gemaakt, maar laat de invulling vrij. Dat werkt en dat soort aanpak zouden we op veel meer terreinen moeten realiseren: een goede mix van sterke lokale innovatie met ondersteunend centraal beleid’

U verwees daarnet naar de jaren ’70, een periode waarin emancipatie en autonomie centraal stonden. Mensen die de opstart van kringloopwinkels en wereldwinkels meemaakten, zeggen vaak over wat nu gebeurt: dat hebben we allemaal al meegemaakt. Hoe verklaart u deze nieuwe golf?

‘Naar mijn aanvoeling kampen we met een dubbele malaise, een politieke en een economische, waarbij de twee met elkaar verweven zijn geraakt. Politiek – en daar ken ik het meeste van – kraakt dit democratische systeem in zijn voegen en blijkt het niet in staat complexe problemen daadkrachtig aan te pakken. Deze democratische malaise voedt aan de ene kant het populisme, aan de andere kant is het een appel voor hernieuwde democratische vormen, waarvan de coöperatieve het mooiste symbool vormt. Daarnaast kan je er niet omheen dat ons hele economische systeem tegen fundamentele grenzen opbotst. Hoe zorg je ervoor dat de economie weer in dienste staat van de samenleving en niet omgekeerd. Dat is de kern van de zaak en de drijfveer van al die lokale tegenbewegingen.

Tot slot: u zei in het begin heel duidelijk dat sociale innovatie er moet zijn om het leven van sociaal zwakkeren beter te maken. Toch is dat net de belangrijkste kritiek op al die lokale tegenbewegingen: ze bereiken vooral de middenklasse en slagen er niet altijd in de sociale segregatie op te heffen. Soms zelfs integendeel.

‘Wie het boek Uitstoting van Saskia Sassen leest, houdt over dat laatste inderdaad niet veel hoop over.  Voor elke common die we in Vlaanderen oprichten, worden er elders in de wereld tientallen vernietigd of verdreven en overgenomen door het wilde kapitalisme.  Onze stedelijke samenleving is ook  steeds meer gesegregeerd en dat relativeert het optimistische beeld wel sterk. We focussen graag op een ontwikkeling waar we enthousiast van worden: burgers die initiatief nemen, die niet wachten op de overheid, die zelf hun voeding, energie, mobiliteit in handen nemen. En dat is positief maar vele mogelijke lezingen van de maatschappelijke ontwikkelingen kruisen elkaar. Op het globale en Europese niveau werkt het neoliberale denken sterk door en de impact daarvan, onder andere op de ongelijkheid, is wellicht op dit moment nog vele malen groter dan de impact van alle commons samen.

De stedelijke innovatie, die zeker sterk aan de gang is, mag ook niet blind maken voor macro – evoluties die ondertussen ook sterk op de stad inwerken.  Ik vrees bijvoorbeeld dat de menselijke impact vanprivatiseringen in de sociale zekerheid veel keer groter zijn dan het tegengewicht dat activistische projecten ooit kunnen bieden. Je kan dan wel denken dat we hoera, hoera met z’n allen de stad veranderen maar diezelfde stad kan ook het toonbeeld zijn van toenemende uitsluiting en ongelijkheid. Een mens heeft hoop nodig, kan je nu zeggen. Dat is ongetwijfeld zo. Maar je mag de bikkelharde analyse niet negeren. In die zin is het belangrijk dat sociale innovatie inherent maatschappijkritisch is, anders word je zo ingekapseld en gerecupereerd.’


Op 29 november organiseert de Sociale InnovatieFabriek haar jaarlijkse netwerkcongres. New Ideals 2016 gaat over maatschappelijke impact. Hoe creeëren sociale innovatie en sociaal ondernemerschap impact waar iedereen bij wint? Voor wie is de impact? Hoe meet je die veranderingen? Wat doe je er mee? Welke tool kan je gebruiken? Hoe kan sociale innovatie haar impact vergroten en zo het nieuwe normaal worden?