Praktijk

Apopo: ratten sporen mijnen en tuberculose op

-- Julie Francq interviewde sociaal ondernemer Bart Weetjens in het kader van haar bachelorproef journalistiek voor de Artvelde Hogeschool Gent. Ze hoorde hem uit over het Belgische project Apopo, het ontstaan en zijn eigen ondernemersstijl. Dit artikel is volledig van haar hand. --

Een simpele oplossing voor een nijpend probleem: Ratten sporen succesvol mijnen en tuberculose op
“Westerse bedrijven denken vaak veel te complex als het op sociale innovatie aankomt.”

Bart Weetjens, industrieel ontwerper en oprichter van Apopo, is één van de weinigen die er met zijn Belgische sociale onderneming in slaagt voet aan de grond te houden in Afrika. Sinds 1998 traint hij de reuze Afrikaanse hamsterrat om landmijnen en tuberculose op te sporen in Tanzania en naburige landen. Hier spelen knaagdieren de hoofdrol. “Het verschil ligt ‘m in het gebruik van natuurlijke bronnen.”

Een harige gestalte van zo’n vijftig centimeter groot trippelt behendig over een tapijt van zand, met zijn neus stevig naar de grond gericht. Een leiband bepaalt hoever zijn pootjes zich begeven kunnen. Eens het dier gevonden heeft wat ie zocht, begint het vastberaden te graven, wachtend op de verlossende klik die hem iets lekkers beloofd. Vanaf hier nemen de mensen het van hem over. De reuze Afrikaanse hamsterrat heeft vandaag alweer een mensenleven gered en trekt likkebaardend naar huis, met zijn verdiende zoetigheid tussen de kaken geklemd.
De rescuerangers of zogenaamde HeroRats van Apopo hebben het afgelopen jaar binnen het Afrikaanse continent zo’n 578 explosieven opgespoord. Weetjens wil met zijn onderneming zwarte boeren terug aan hun land helpen en voorkomen dat de landmijnen opnieuw gebruikt worden in een ander conflict. De aarde in Mozambique behoort dezer dagen weer stilaan toe aan de dorpelingen die voorheen verplicht werden hun huizen te verlaten uit angst voor ontploffingsgevaar. Apopo is er de grootste mijnveldenoperator. “Ik geloof er sterk in dat, als we zo blijven verder doen, het landmijnenprobleem in de wereld binnen twintig tot dertig jaar volledig opgelost zal zijn.”

Hoe gaat dat ontmijnen bij Apopo precies in zijn werk?
Bart Weetjens: “Onze ratten verkennen, vastgebonden aan een soort leiband, een afgebakend terrein terwijl ze op een afstand gevolgd worden door één van onze trainers die aan de andere kant van het koord hangen. Door hun sterke reukzin zijn zij in staat explosieven op te sporen zonder het mechanisme te laten afgaan omdat de knaagdieren zo licht van gewicht zijn. Wanneer zij al snuffelend aangeven dat een landmijn zich op een bepaalde plaats bevindt, is het vervolgens aan onze ontmijners om de bom te laten ontploffen.”

En dat werkt beter dan andere bestaande ontmijningstechnieken?
Weetjens: “Onze manier is in ieder geval efficiënter. Traditioneel wordt er ontmijnd met  een metaaldetector, maar dat is zeer gevaarlijk, duur en ontzettend tijdrovend. Een manuele ontmijner kan iets van een vijftig vierkante kilometer per dag afhandelen, terwijl een juiste combinatie van ratten, machines en mensen tot een beter resultaat leidt. Eén rat bereikt maar liefst een oppervlakte van 400 km² per dag én de kans dat er een mijn gemist wordt, is veel kleiner.”
“En het resultaat is er naar. We zijn erin geslaagd zowel de Gaza- als de Maputoprovincie in Mozambique volledig te ontruimen. Momenteel zijn de gebieden Manica en Sofala aan de beurt. Het land is van plan om zichzelf dit jaar nog mijnenvrij te verklaren.”

Uw ratten sporen ook tuberculose op?
Weetjens: “Dat klopt, daar zijn we in het jaar 2007 mee van start gegaan. Tuberculose is in principe heel moeilijk te detecteren. Het is te zeggen, als je je beperkt tot de standaardprocedure en elke mogelijk geïnfecteerde staal enkel met de microscoop bekijkt, worden er minder dan de helft van de patiënten die aan de ziekte lijden effectief gediagnosticeerd. Wat rampzalig is, want zo blijft de bacterie zich aan een sneltempo verspreiden. Een persoon met tbc bij wie de diagnose niet is vastgesteld, besmet minstens zo’n tien à vijftien mensen per jaar. Wij werken nu samen met verschillende gezondheidscentra in Tanzania waar we alle speekselstalen verzamelen van mensen met longproblemen en sturen die op naar ons labo waar ze door onze ratten gecontroleerd worden. Op die manier hebben we de eigenlijke vaststelling van de ziekte met zo’n veertig procent verhoogd. Door vroegtijdige identificatie, kunnen de patiënten sneller behandeld worden en dat werpt zijn vruchten af. Na een goede verzorging van tien dagen kan de drager in kwestie de bacterie al niet meer doorgeven aan andere mensen. Het is dan ook onze bedoeling om via deze weg de epidemie een halt toe te roepen.”

Goldie
Vooraleer een reuze Afrikaanse hamsterrat de noodzakelijke taken kan afleggen en gepromoveerd wordt tot held van weleer, dient hij opgenomen te worden in een heus trainingsprogramma van zo’n 194 dagen. Een diervriendelijke procedure welteverstaan waarin de beestjes gesocialiseerd worden via een belonend kliksysteem en allerhande lekkernijen. Afstraffen werkt niet, daarvoor hebben de knaagdieren een veel te opstandig karakter. “Ratten doen trouwens niets liever dan eindeloos dezelfde taak te verrichten, zeker als ze daarvoor iets terugkrijgen”, lacht Weetjens. “En als een rat na training toch niet geschikt blijkt te zijn, ligt dat niet aan zijn ruikcapaciteit, maar aan zijn onhandelbaarheid. En dat komt voort uit een puur menselijke fout. Onze socialisatieprocedure is zo geperfectioneerd, dat het enkel kan betekenen dat de rat niet goed opgevoed is.”

Alsof het kinderen zijn, zo praat Weetjens weleens over zijn ratten, valt me op. En misschien is dat ook wel een beetje zo. Een passie voor knaagdieren lijkt zich genesteld te hebben in het begin van zijn tienerjaren.
Weetjens: “Ik was negen toen ik mijn eerste goudhamstertje kreeg. Ik noemde hem Goldie en nam hem overal mee naartoe. In de okselholte van mij trui fleurde hij ongezien de schooldagen op. Tot de leerkracht me eens betrapte en ik hem thuis moest laten. Ik heb toen een vrouwtje in zijn kot gezet en binnen de kortste keren hadden ze kleintjes die ik van mijn ouders niet mocht houden en dus verkocht aan een dierenwinkel. Toen ik eenmaal merkte dat met het kweken van kleine beestjes geld te verdienen viel, ben ik mijn knaagdierenverzameling beginnen uitbreiden. Je kon me toen al een jonge entrepreneur noemen.”

En enkele jaren later leken ratten een logische keuze in de bestrijding van de landmijnenproblematiek?
Weetjens: “Neen, eigenlijk niet. Ik was ze na mijn veertiende eerlijk gezegd compleet uit het oog verloren. Het is pas na een artikel gelezen te hebben over het gebruik van woestijnratten bij laboratoriumexperimenten dat ik die specifieke ingeving kreeg. ‘Ah, ratten, natuurlijk! Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb!’. Ik ben tenslotte ten rade gegaan bij professor Verhaeghe, een rattenspecials binnen de Antwerpse Universiteit, en die heeft me in feite de reuze Afrikaanse hamsterrat voorgesteld. Niet alleen omdat ze acht jaar leven, een goede reukzin hebben en intelligent zijn, maar ook omdat de Afrikaanse hamsterrat in het wild bepaald gedrag vertoont dat dicht aanleunt bij de taak die hij vervult bij Apopo. Het dier verzamelt namelijk voedsel in zijn wangen en begraaft dat onder de grond, wanneer er veel eten voorradig is. Zo kan hij, in periodes van schaarste, via zijn neus, het voedsel achteraf weer opsporen om het droogseizoen te overleven. Ik vind dat een wonderlijke eigenschap.”

En dan bent u ze vervolgens in België beginnen kweken?
Weetjens: “Pas nadat ik een onderzoekbeurs te pakken kreeg uiteraard, maar in het begin was dat een beetje moeilijk, want niemand wou me geloven. Velen vonden het zo’n absurd idee, ze lachten me letterlijk uit. De eerste drie jaar heb ik dan ook van niemand geld gekregen. Dan ben je even heel beperkt in wat je doet. Maar ik ga er vanuit dat als je de dingen juist doet de hulp uiteindelijk wel komt. En dat is me gelukt. Eens ik die eerste beurs ontvangen had, heb ik met enkele medewerkers van de universiteit het kweekprogramma opgericht, al zijn we daar zo vlug mogelijk mee naar Tanzania getrokken. Ik ben namelijk van mening dat het weinig zin heeft om die technologie van hieruit te ontwikkelen, zo kan je niet communiceren met de Afrikaanse bevolking. Die communicatie is net belangrijk, omdat je zo tot een realistischer resultaat komt. Er zijn zoveel voorbeelden van sociale innovatie waarbij het concept in België wordt uitgedacht en pas later in het betreffende land geïmplementeerd wordt. Daar blijkt het dan uiteindelijk niet te aarden, omdat de culturele of sociaal-economische context niet bij het idee past. Tja, in theorie kan een plan heel mooi zijn, maar het moet ook werken he.”

Apopo doet het dan wel op de goede manier?
Weetjens: “Onze voornaamste sleutel tot succes is het feit dat wij werken met een natuurlijke bron, met name de reuze Afrikaanse hamsterrat, die volledig in de leefwereld van die plaatselijke landbouwers ter beschikking is. De rat is volledig aangepast aan het klimaat, komt de bevolking niet vreemd voor en wordt daardoor makkelijker aanvaard. Verschillend tegenover allerhande onderzoeksprojecten, die in de tijd dat wij begonnen, naar veel complexere oplossingen zochten voor het landmijnenprobleem zoals het gebruik van een robot of sensoren, zijn wij de enige die nog bestaan. De rest is er gewoon mee gestopt. In die zin denk ik dat een getrainde rat veel aangepaster is aan de Afrikaanse leefwereld dan een robot en wij daardoor ook succesvol zijn.”

Maar zien ze ratten in Afrika dan ook niet als een soort ongedierte?
Weetjens: “Inderdaad, ze kunnen er enorm vernielend zijn voor de oogst. Ook daar werden we in het begin dus een zeker scepticisme gewaar. Maar naarmate dat wij konden aantonen dat die ratten wel degelijk mijnen konden opsporen op een zeer betrouwbare manier, is het vertrouwen er vanzelf gegroeid. Als iets werkt, nemen de mensen dat daar gewoon aan. Dat is simpele boerenlogica.”

Is uw bedrijf dan onderhand rendabel te noemen?
Weetjens: “Goh, sinds we prijzen en steun ontvangen, is ons jaarbudget gegroeid van één miljoen naar acht miljoen euro op vier jaar tijd. Dat komt omdat we het geld dat we ontvangen opnieuw investeren om onderzoek en structuren binnen ons bedrijf verder uit te bouwen. Zo kan Apopo beter beheerd worden en op termijn rendeert dat. Toch komen we ieder jaar net wat geld tekort. Als je de financiën van dit jaar bekijkt is er nog nood aan een dikke één miljoen euro en het eerste kwartaal is al achter de rug. Er staat dus nog heel wat ‘fundraising’ voor de boeg.”

Everyone a changemaker
En voor die fondsenwerving bevindt Weetjens zich veel op de baan. Of in de lucht, is misschien beter gezegd. Als gezicht van Apopo vliegt Weetjens heel de wereld rond om mensen te overhalen tot investeren in zijn bedrijf. Of dan niet ten koste gaat van zijn gezin? “Ik werk lange dagen waardoor ik ze vaak een hele poos moet missen, maar ik zie dat eerder als een luxeprobleem. Af en toe ga ik er samen met hen even tussenuit, maar ik moet toegeven dat ik zelfs dan elke dag minstens een uurtje per dag met Apopo bezig ben.” 

Het lijkt me moeilijk voor u om Apopo af en toe even los te laten?
Weetjens: “Sinds het bedrijf gegroeid is, kan ik meer uitbesteden en zijn mijn missies korter geworden. Maar het klopt inderdaad dat ik nog altijd meer dan fulltime werk, mijn weekends gaan er dikwijls aan enzovoort. In die zin kan ik mijn werk absoluut niet laten gaan. Aan de andere kant strookt uitbesteding juist wel volledig met mijn visie. Ik verwijs graag naar de opvatting van mijn mentor en goede vriend Bill Drayton, oprichter van Ashoka. Bill heeft namelijk het idee ‘Everyone a changemaker’. Sociale verandering is volgens hem alleen bereikbaar, als iedereen zich in het mate van het mogelijke maatschappelijk engageert. Dat kan je gerust vertalen naar de werking van een sociale onderneming: daar waar men in team samenwerkt om iets te bereiken. Ik geloof heel sterk dat ieder mens een talent heeft en dat nuttig kan inzetten in onze maatschappij. Zelfs als hulpbehoevende, want ook die rol is nodig. Om een lang verhaal kort te maken: ik lijd niet aan het zogenaamde ‘founderssyndroom’ dat verklaart dat oprichters van bedrijven zich in het algemeen verzetten tegen groei, nieuwe systemen en structuren. Ik reageer totaal tegenovergesteld. Ik wil net dingen doorgeven, mensen hun talenten laten ontwikkelen en die op de juiste manier inzetten. In die zin heb ik het er dan weer helemaal niet moeilijk mee om sommige dingen los te laten, ziet u.”

Na twaalf jaar Tanzania zijn u en uw gezin tevens weer naar België verhuisd. Mist u Afrika niet?
Weetjens: “Ik mis vooral het veldwerk dat ik er vroeger kon uitoefenen, maar naar België verhuizen leek me op dit moment noodzakelijk. Omwille van mijn kinderen. Ik wil dat mijn dochters Nederlands kunnen lezen en schrijven, en waar kunnen ze dat beter leren dan hier? Op vlak van educatie wil ik immers geen compromissen maken. Bovendien kan ik de job van Apopo ook perfect vanuit België vervullen. Ik voel me overal thuis.”

Betekent dat dan ook dat we in België binnenkort wat meer van uw bedrijf zullen horen?
Weetjens: “In België is Apopo op zich niet zo bekend. Waarschijnlijk omdat we heel zuiders gericht zijn, maar we beginnen ook hier stilaan bekendheid te verwerven hoor.  Hoewel ik dat eerlijk gezegd niet zo nodig vind. Iedereen wil gauw de oprichter spreken en je krijgt dan al snel zo’n heldenstatus toegewezen. Terwijl ik altijd zeg ‘de ratten zijn hier de helden, niet ik’. Extra aandacht hoeft voor mij zo niet. Ik ben ook maar een doodgewone mens, he.”